Hrísey

Hrísey is een eiland in het fjord Eyjafjörður. Eyjafjörður betekent 'fjord met het eiland'. Dat eiland is dus Hrísey. Het ligt op ongeveer 35 kilometer ten noorden van de plaats Akureyri halverwege het fjord. Het wordt wel eens gekscherend 'het Manhattan van Akureyri' genoemd. Hrísey is ongeveer 7,5 kilometer lang en 2,5 kilometer breed. De totale oppervlakte is 11,5 vierkante kilometer. Daarmee is het, na Heimaey, het op één na grootste neveneiland van IJsland. Over de lengte van het eiland loopt een hoge rug. Het hoogste punt daarvan wordt Bratti genoemd en ligt op 110 meter hoogte.

Situatie en geschiedenis

De grootste en enige woonplaats op het eiland ligt in het zuidwesten en heet eveneens Hrísey. Vrijwel alle van de ongeveer 200 inwoners die het eiland buiten het winterseizoen bewonen, wonen hier. Het is van oudsher een havenplaatsje. Vroeger meerden de Noorse en Deense vissers aan in Hrísey en kozen ze er het ruime sop om te gaan vissen. Later deden de IJslanders dat zelf. In de jaren veertig van de twintigste eeuw beleefde het eiland haar hoogtijdagen. Het was op dat moment de beste plek in IJsland om naar haring te vissen, maar door overbevissing is van de visserij niet veel over. Vrijwel alle visquota zijn verkocht. In het dorpje is niet bijzonder veel te zien. Er zijn noodzakelijke voorzieningen aanwezig. Er is een schooltje, een winkel (Verslun), een zwembad, een camping, een voetbalveld en een klein museum. Helemaal in het noorden staat vlak bij het hoogste punt de vuurtoren.

De eerste bewoner van het eiland was ene Steinólfur Ölvisson, die ook wel 'de kleine' werd genoemd. In opdracht van zijn leider, Helgi de magere, vestigde hij zich in de beginperiode van de kolonisatie op het eiland. Hij en de bewoners na hem leefden vooral van de visserij en de landbouw. Door de eeuwen heen zijn er verschillende boerderijen geweest. Uit de kerkarchieven blijkt tevens dat er verschillende kerkjes op het eiland hebben gestaan. In het jaar 1402 werd het eiland getroffen door de zwarte dood, waaraan alle bewoners overleden. In het jaar 1424 werd het eiland vervolgens geplunderd. Altijd krabbelde het bestaan op het eiland weer op.

Het eiland was in het verleden de haaienhoofdstad van IJsland. Van hier uit werd gejaagd op de beesten. Het oudste huis op het eiland, Syþsti-Bær, behoorde toe aan de vermaarde haaienjager Jörundur Jónsson alias Hákarla-Jórundur (haaien-Jórundur) die aan het eind van de negentiende eeuw op het eiland leefde. Jórundur bouwde het huis van wrakhout van een gestrand Noors schip. Vervolgens ging de echte bikkel met zijn roeiboot blootsvoets de zee op om haaien te vangen. En daarin was hij zo buitengewoon bedreven dat er in 1955 ter ere van hem een borstbeeld werd geplaatst aan de voet van de heuvel Syðstabær. In zijn huis is tegenwoordig een museum gevestigd dat over de geschiedenis van het eiland vertelt.

Een ander soort museum is het huis van de in 1913 geboren Alda Halldórsdóttir. Dit huis is ingericht zoals het er de eerste helft van de twintigste eeuw was.

Elders op het eiland zijn nog wat al dan niet verlaten boerderijen te vinden. Hier werden in het verleden grote Galloway-runderen gehouden. Na de slacht, leverde dit geweldig vlees op. In het enige restaurant van Hrísey, Brekka (gebouwd tussen 1932 en 1934), staan de overheerlijke Galloway-biefstukken op de menukaart. Al wordt het vlees tegenwoordig van het vaste land van IJsland gehaald, omdat de runderen moesten verdwijnen toen er een quarantainecentrum voor huisdieren op het eiland werd ingericht.

Activiteiten

Populair onder toeristen is het maken van een rondrit over het eiland. Dit gebeurt meestal op een hooiwagen achter een tractor. De wagen rijdt een rondje van dat ongeveer drie kwartier duurt en ondertussen krijgen de gasten wat uitleg over de bezienswaardigheden. Daarnaast is het mogelijk een (wandel)tocht naar de vuurtoren te maken. Van daaruit is het uitzicht fenomenaal. Vooral het noorderlicht is van hieruit goed te aanschouwen. Vanuit de haven van het eiland worden tevens allerlei rondvaarten aangeboden.

Veel vogels kiezen ervoor hun nest te bouwen op Hrísey. Omdat er op het eiland geen natuurlijke vijanden aanwezig zijn, kunnen de vogels dat in alle rust doen. Sommige vogels, zoals de alpensneeuwhoen (rjúpa), worden alleen op Hrísey beschermd. Elders in IJsland knallen ze het onhandige beest gewoon uit de lucht. Voor vogelaars valt er tijdens het broedseizoen meer dan voldoende te zien.

Het eiland leent zich prima voor wandelingen. Op de zuidelijke helft zijn drie wandelroutes uitgezet. Er is een groen gemarkeerde route met een lengte van 2,3 kilometer. De gele route is 4,5 kilometer lang en de rood gemarkeerde route 5 kilometer. Omdat een groot deel van het eiland privéterrein is, zijn niet alle delen van het eiland zomaar te bewandelen.

Bereikbaarheid

Hrísey is gemakkelijk te bereiken vanuit de grotere plaats Akureyri. Van daaruit loopt de route via de weg langs de (snel)wegen 1 en 82 richting het gehucht Árskógssandur, waar meerdere malen per dag de boot naar Hrísey vertrekt. De overtocht duurt een kwartier tot 20 minuten. Árskógssandur is met de bus te bereiken vanuit Akureyri.

terug naar boven





Foto's

Het wapen van Hrísey