Vatnajökull

De Vatnajökull is de grootste gletsjer van IJsland. Hij beslaat een oppervlakte van maar liefst 8.100 km². Dat is ongeveer een twaalfde deel van het totale areaal van IJsland en de gletsjer zou qua oppervlakte een vijfde deel van Nederland beslaan. De gletsjer ligt in het nationale park Vatnajökull (Vatnajökullsþjóðgarður), in het zuidoosten van IJsland. Hoogstwaarschijnlijk is de ijskap in een koude periode ongeveer 2500 jaar geleden ontstaan. De bovenkant van de ijskap vormt een vlakte op ongeveer 800 meter hoogte. Het ijs is voortdurend in beweging en verplaatst zich met een snelheid van ongeveer 800 meter per jaar.

In Europa is qua oppervlakte alleen de Austfonna bij Spitsbergen een iets grotere gletsjer dan de Vatnajökull. Qua volume echter passen alle gletsjers van Europa gezamenlijk in de Vatnajökull. De ijskap is op sommige plaatsen zelfs 900 meter dik. De inhoud en omvang van de gletsjer zijn derhalve gigantisch. Het is zelfs de grootste gletsjer ter wereld die buiten de poolcirkels ligt.

Het ontstaan van Gletsjers

Gletsjers ontstaan in gebieden met eeuwige sneeuw. Dat wil zeggen dat er in de winter meer sneeuw valt dan er in de zomer kan smelten. Bij verschillende sneeuwbuien stapelen de lagen sneeuw zich op. De onderste lagen worden door de druk van de bovenliggende lagen steeds compacter, waardoor uiteindelijk een flink pak ijs ontstaat. Door de enorme druk op de ondergrond, ontstaat een dun laagje water onder dit pak ijs - hetzelfde effect zie je ook onder de ijzers van schaatsen - waarop de ijsmassa kan bewegen. Afhankelijk van hoe steil een helling is, zal het ijs zich verplaatsen. Zo'n bewegende massa ijs heet een gletsjer. Wanneer de gletsjer zich verplaatst, zal die de ondergrond van het dal eronder millimeter voor millimeter wegslijpen en meevoeren. De meegevoerde klei, slib, puin en rotsen wordt morene genoemd en is vooral aan het einde van de gletsjers, waar de concentratie sediment door het smelten van het ijs het hoogst is, zichtbaar. Daar is het ijs doorgaans grijs of zwart van kleur.

Het oppervlak van de gletsjer zit vol met gletsjerspleten (crevassen). Deze ontstaan wanneer de gletsjer uit elkaar wordt getrokken of juist in elkaar wordt geperst. Er zijn zowel spleten in de breedte als in de lengte van de glijrichting van de ijsmassa. De gletsjerspleten zijn vaak tientallen meters diep en zijn soms vanaf het oppervlak nauwelijks waarneembaar. Hierdoor is het betreden van een gletsjer een gevaarlijke aangelegenheid. Voor veel personen die in een crevasse zijn gevallen, is het een ijzig graf geworden.

Wanneer met een grote boor loodrecht op het oppervlak van een gletsjer naar beneden geboord wordt en hierbij een cilinder ijs uit de ijskap wordt gehaald, wordt duidelijk dat er allerlei allerlei lagen zijn waar te nemen. Deze lagen zijn soortgelijk aan de jaarringen in boomstammen en worden warven genoemd. Een warve ontstaat aan het eind van een periode van dooi. Dan stopt het dooiwater met stromen en blijven de in het water opgeloste stoffen als een neerslag achter. In de koude periode die hierop volgt wordt op de neerslag een nieuwe laag ijs gevormd, waarop aan het eind van de volgende warme periode wederom neerslag achterblijft. Hoewel een 'warvenanalyse' om te bepalen wanneer welke neerslag is gevallen interessant is voor geologen, is het niet een heel betrouwbare manier gebleken om zaken te dateren.

Vulkanen

Rondom en onder de Vatnajökull liggen verschillende vulkanen. Sommige toppen toren dwars door het gletsjer heen en staan geïsoleeerd in het gletsjerlandschap. Dit soort toppen worden nunataks genoemd. De hoogste toppen zijn echter te vinden langs de zijkanten van de gletsjer. Ten oosten ligt bijvoorbeeld de Öræfajökull, met aan de rand van de krater de hoogste top van IJsland en de op één na hoogste vulkaan van Europa; de Hvannadalshnúkur met een hoogte van 2109,6 meter. Tussen de verschillende toppen liggen verschillende gletsjertongen, die in feite gletsjers op zich vormen. Enkele van die tongen zijn te bezoeken vanuit het voormalige nationale park Skaftafell. Onderaan de gletsjertongen smelt het water en ontstaan talloze rivieren die het smeltwater naar de zee afvoeren. Grofweg tussen de plaatsen Vík en Höfn, aan de zuidoostkust van IJsland, ligt de vrijwel onmogelijk permanent bewoonbare kuststrook vol met rivierbeddingen van dit soort gletsjerrivieren, die naast het smeltwater van de tongen van de Vatnajökull ook het water van de Mýrdalsjökull (nabij Vík) afvoeren. De kuststrook op deze plek is verder gevuld met uitgestrekte lavavelden en kale spoelzandvlaktes die zijn ontstaan vanuit de modderlawines die ontstonden vanuit de gletsjers.

Modderlawines

De modderlawines ontstaan vanuit meren die, gelijk aan de vulkaan eronder, Grímsvötn worden genoemd. Deze meren zijn waterreservoirs onder de Vatnajökull. Ze worden gevuld met smeltwater doordat de temperatuur van de grond onder de gletsjer, vanwege de aanwezigheid van een magmakamer, hoger ligt dan het vriespunt, waardoor het ijs van de gletsjer smelt. De gletsjer vormt in feite een natuurlijke ijswal die ervoor zorgt dat het water niet weg kan stromen. Het waterniveau in de meren stijgt echter met ongeveer 12 meter per jaar. Wanneer de meren vol raken en de druk toeneemt, zoekt het water alsnog een uitweg en bestaat de kans dat enorme hoeveelheden (tot wel 50.000m³ per seconde) smeltwater plotseling vrijkomen. Meestal gebeurt zoiets wanneer een vulkaan onder de gletsjer actief is, waardoor de waterniveaus in de reservoirs snel toenemen. Als het smeltwater vrijkomt, is de kans op een catastrofale overstroming (Jökulhlaup) groot. Tegen dergelijke modderstromen is niets opgewassen. Delen van de voor de infrastructuur belangrijke (snel)weg 1 zijn al vele malen door modderstromen verwoest. In het noorden, in het voormalig nationale park Jökulsárgljúfur, getuigt de Ásbrygi-kloof, die door Jökulhlaups is ontstaan, van de verwoestende krachten die loskomen tijdens zo'n Jökulhlaup.

De naam Grímsvötn is overigens afkomstig uit de Sagan af Vestfjardargrími (de saga van Grímur Sigurdsson van de Westfjorden); een saga die verzonnen blijkt. Grímur zou, nadat hij een moord had gepleegd, vogelvrij verklaard zijn. In een poging te ontkomen aan het noodlot, besloot hij naar de meren te trekken en aldaar een hut te bouwen. Hij leefde er van de vis die hij ving, totdat een reus - die met zijn dochter in een grot vlakbij leefde - zijn vangst stal. De (moord)lustige Grímur wist zijn woede over dit euvel maar moeilijk te kanaliseren, want hij doodde de reus. Daarna poogde hij de dochter op weinig hartstochtelijke wijze te bekoren en behagen. Curieus genoeg moest hij tot zijn grote spijt toezien hoe deze mild tedere genegenheid onbevestigd bleef. De ziedende dochter beantwoordde de begeerte met het uitspreken van een vloek over de meren, waardoor deze af en toe zouden branden. En daardoor zitten de IJslanders van nu nog regelmatig met de gebakken peren.

De laatste grote uitbarsting van de vulkaan Grímsvötn begon op 21 mei 2011. Door de uitstoot van een enorme hoeveelheid as, die tot een hoogte van 20 kilometer de lucht in werd geblazen, moest het vliegverkeer in een groot deel van Europa vier dagen lang worden platgelegd. Op 28 mei was de uitbarsting voorbij. Op verschillende plekken op het internet zijn prachtige foto's van de uitbarsting te vinden, zoals hier op de website van het NRC.

Skaftafell

Verschillende gletsjertongen van de Vatnajökull zijn te benaderen vanuit het voormalige nationale park Skaftafell dat elders op deze website besproken wordt.

Andere gletsjers

Naast de Vatnajökull zijn er nog twaalf andere gletsjers in IJsland. Deze dragen (in volgorde naar oppervlakte) de volgende namen:

  • Langjökull / 1021 km²
  • Hofsjökull / 925 km²
  • Mýrdalsjökull / 590 km²
  • Drangajökull / 160-200 km²
  • Eyjafjallajökull / 100 km²
  • Tungnafellsjökull / 48 km²
  • Þórisjökull / 33 km²
  • Eiríksjökull / 22 km²
  • Þrándarjökull / 22 km²
  • Tindfjallajökull / 19 km²
  • Torfajökull / 15 km²
  • Snæfellsjökull / 11 km²

 

terug naar boven





Foto's

De Vatnajökull op een foto van de NASA tijdens een uitbarsting van de Grímsvötn